opschrift rechtsboven op bovenstaande plattegrond:

OUDE GRAFZERKEN EN -KELDER FAM. ALDRINGA. IN DE NED HERV KERK TE FEERWERD.

OPNIEUW BLOOTGELEGD 6 AUG. 1936.

 

ondertekend:

J. en F.J. OLTHUIS. FEERWERD.

AUG. 1936.

 

uit Nieuwsblad van het Noorden, ergens tussen 1970 en 1975:

 

Natte jonkers brachten opwinding in Feerwerd

Groot tumult in het anders zo rustige dorpje Feerwerd, toen daar op donderdag 6 augustus 1936 een grafkelder met drie lijken werd ontdekt. Het gebeurde tijdens werkzaamheden in de Nederlands-hervormde kerk. Die bewuste donderdag was timmerman J.D. Olthuis bezig met het repareren van de vloer. Een houten vloer, gelegd in 1873 en nodig aan vervanging toe. Bij het wegbreken van de planken in het koor kwamen grafzerken tevoorschijn. De verbaasde Olthuis (en zijn in het timmermansbedrijf opgenomen zonen) telde er in totaal tien. Vier kleine en zes grote.

 

In het dorpje ging echter ook steeds het gerucht dat de kerk een grafkelder moest bevatten. ’s Avonds om negen uur meenden de werklieden aanwijzingen te hebben dat onder een bepaalde deksteen die grafkelder gevonden moest worden. De steen werd gelicht en inderdaad: er was een grafkelder. Binnen in het donkere hol trof men, oneerbiedig gezegd, een geweldige puinhoop aan. Drie kisten met resten van drie mensen. “Dit alles lag over en door elkander over de vloer van de kelder verspreid”, zo meldt ons de gelegenheidsverslaggever die zijn beschrijving liet inmetselen in de oostelijke muur van de kerk, naast de preekstoel. Het nieuws van de toch wel lugubere vondst (“de overblijfselen van drie mensen”) ging de volgende dag (vrijdag 7 augustus) als een lopend vuurtje door het dorp. “Het bracht een geweldige opschudding teweeg in het anders zo rustige dorp. De gehele dag was het een ware toeloop van nieuwsgierigen om dit niet-alledaagsche voorval in oogenschouw te nemen”, aldus onze verslaggever.

Blijkbaar hebben timmerlieden en schilders de Feerwerders die dag maar rustig laten genieten van het “spektakel”, want ’s avonds begon men pas het water uit de kelder te pompen. Ook dat gebeurde onder enorme belangstelling. Om 1 uur die nacht was het karwei geklaard (er stond 45 cm water) en ging iedereen naar huis. De volgende dag is alles dat uit de kelder was gekomen, schoongemaakt en weeer op de oude plaats teruggezet. De doden werden verder met rust gelaten. Bovengronds ging de activiteit echter onverminderd voort. Uit Groningen kwamen de heraldicus A. Pathuis en de chartermeester van het Rijksarchief E. Werkman. Zij waren bijzonder geïnteresseerd in de wapens en figuren die op de grafzerken staan. Hun informatie wordt bewaard in het rijksarchief. De kerkvoogdij in Feerwerd stond intussen voor het grote probleem hoe een restauratie van het koor te bekostigen. Men wilde de grafzerken graag zichtbaar laten. Voor financiële steun werd aangeklopt bij de Archeologische Commissie van de provincie Groningen. “Door deze commissie is een flink bedrag beschikbaar gesteld, want voorengenoemde heren vonden het ook jammer dat de zerken weer aan het oog zouden worden onttrokken”, zo staat in het verslag. Tot aan de banken werd de houten vloer weggebroken en op gelijke hoogte gebracht met de zerken. Een en ander is bijgewerkt met zogenaamde “Bremervloeren”. Bij de oostermuur moest een verhoging worden gemaakt omdat de preekstoel op gelijke hoogte bleef. Toen men daar mee bezig was en een gedeelte van de vloer afbikte, kwamen vier gaten van tien bij tien cm tevoorschijn. Vermoedelijk heeft daar vroeger (dus geruime tijd voor ’36) een altaar gestaan. In één van die gaten verstopte de verslaggever zijn relaas. Verpakt in een fles. “Opdat men later nog eens kan zeggen toen is het zus of zoo geweest. En thans ben ik aan het eind gekomen van mijn verhaal en weet u er een weinig van wat er zoo dit zomer in deze kerk is voorgevallen”. Het verslag is ondertekend door de timmerlieden: J.D. Olthuis, J. Olthuis en F.J. Olthuis. Verder staan er de handtekeningen van de schilders J. de Groot en J. Wiersema (uit Ezinge), de predikant F. Smid en de kerkvoogden W. de Groot, Hm. Tochtema en F.J. de Boer onder. De grafzerken (één dateert uit de 16e eeuw) zijn ook nu nog te bewonderen. En wie lagen er nu in de kelder? Volgens de archeologen en de historici die ter plaatse onderzoek deden werd daar de familie Aldringa begraven. Het waren hoofdelingen, ofwel leden van de Friese adel; later sprak men van jonkers. Het boeiende relaas over die bewogen dagen in 1936 kwam in ons bezit dankzij het attente optreden van de heer P.F.A. Schuiten, van de afdeling Bouw- en woningtoezicht in Winsum. Hij trof onlangs timmerman Olthuis die destijds aan de restauratie heeft meegewerkt en leende van hem het hierboven bewerkte verslag. Bedankt.

 

(Dhr Schuiten was opzichter-tekenaar bij de technische dienst van de gemeente Winsum in de jaren 1970-1975, vond ik op internet. JB)

 

Zie ook deel artikel met foto buitenkant kerk en ander deel van het artikel met foto interieur kerk