De eerste 7 foto's hierboven werden tijdens het inwijdingsconcert op 2 juli 2011 gemaakt door Eddy Smid, de andere 7 door Ben Koopmanschap

 

Hieronder het verhaal over de historie van de vleugel, tijdens het inwijdingsconcert verteld:

 

 

Waarde Blüthner,

 

Sinds je hier in Feerwerd bent neergestreken, is er flink aan je gepoetst en ben je verrijkt met een installatie die de grillen van het klimaat in een 13-eeuwse Groninger kerk voor je opvangt. Alles is erop gericht je zo goed mogelijk te conserveren, maar vandaag is er iets aan je toegevoegd. Een messing plaatje dat begint met de tekst:
Kitty Johns (1919-2010), pianiste, van Amsterdam tot Aken 78 jaar haar vleugel.
Voordat je verder gaat klinken en je plaats in deze ruimte definitief inneemt, wil ik over haar geschiedenis vertellen. Het is een verhaal waar ik jouw hulp bij nodig heb.

 

Het was ongetwijfeld een bijzondere dag toen jij in 1932 het huis van de familie Johns in Amsterdam werd binnengetild. Geen mensen die met een vleugel hun status wilden bevestigen, zeker niet de diamant-bewerker Jacob Johns. De crisis was op zijn hevigst, de Amsterdamse diamantindustrie werd in die jaren gehalveerd. Mogelijk leende Jacob Johns voor jou ook geld bij zijn moeder of zijn zeven broers en zussen, die allemaal in Amsterdam woonden. Dat Jacob een vleugel kocht vonden zij vast een logische stap, beslist geen geldsmijterij. Misschien herinner jij je wel een klein feestje, diezelfde avond toen je eenmaal goed was geïnstalleerd. Iedereen wilde wel horen hoe het klonk als Kitty op een echte vleugel speelde.

 

Kitty was in 1932 dertien en haar omgeving noemde haar een wonderkind. Daar zat iets in: ze ging toen al een jaar naar het Muzieklyceum, een van de twee Amsterdamse conservatoria. Natuurlijk was ze de trots van de familie. Grootmoeder Sara kon nog vertellen over de vernederingen van de pogroms waarvoor ze uit Rusland waren gevlucht.
En nu: Kitty. Vader Johns begon in de dertiger jaren een taxibedrijfje en had geregeld beroemde musici achterin. Voor ze het Amstelhotel in mochten, wisten ze alles over de jonge pianiste Kitty Johns, zíjn ontdekking.

 

Beter dan wie ook weet jij wat het van haar eiste, dat Kitty haar belofte waar ging maken.
Op haar vijftiende  jaar had ze haar etherdebuut met het Radio Philharmonisch in een pianoconcert van Mozart. In 1937, 18 Jaar oud, studeerde ze cum laude af als concertpianiste. Kitty was zelfbewust, tegendraads, kleedde zich eigenzinnig, droeg lange broeken.  Ze won een rijksbeurs om verder te studeren bij de Rus Alexander Borovsky en gaf concerten in Brussel en Amsterdam. Daar speelde ze op 28 juni 1939 een programma met werken van Scarlatti, Bach, Chopin, Debussy en Ljadov. Twee maanden later brak de Tweede Wereldoorlog uit. Kitty was twintig, de weg naar succes werd een doolhof.

 

Misschien studeerde ze in die tijd meer dan ooit, terwijl ze worstelde met een keuze die haar leven zou bepalen. Leermeester Borovsky onderkende de dreiging en besloot naar Amerika te vertrekken; hij bood zijn leerlinge aan mee te gaan voor in Europa de val dichtklapte.
Over de oceaan zou Kitty haar talent volledig kunnen ontplooien. Kitty aarzelde. Wie zou ze allemaal los moeten laten? Haar familie: grootmoeder, ouders, ooms, tantes, nichtjes, neefjes. En ze was verliefd, op Theo Baylé. Niet zomaar een jongen, een ambitieuze snel opkomende operazanger. Wat ze deelden was hun passie voor muziek. Een maand na de Duitse inval in 1940 trouwden ze, een jaar later werd Irène geboren, haar naam een wens.

 

Terwijl alles overhoop ging, moet jij daar maar hebben gestaan, Blüthner, een lange stille oorlog was het. Jacob, Kitty’s vader, was Joods maar werd niet daarom opgepakt.
Op de vlucht van zijn ouders uit Rusland was alleen hij als oudste kind in Londen geboren. Zijn paspoort beschermde hem, als Engels staatsburger werd hij geïnterneerd, net als Duitsers in Engeland. Kitty had een dubbel paspoort en een Nederlandse moeder, maar welke regel bij de Nazi’s voor de kleine Irène gold viel niet te berekenen. Ze dook met haar onder. Ondanks de oorlog kon haar man Theo zijn loopbaan voortzetten, tot en met de hoofdrol in Rigoletto in de Amsterdamse Schouwburg. Soms, als de kust veilig leek waren ze een tijd samen in Amsterdam. Ze studeerde dan met een blonde vriendin als reservepianiste,  voor als de bel zou gaan.

 

Nee, ongeschonden kwamen ze de oorlog niet door. Toen Jacob Johns uit het interneringskamp terugkwam in Amsterdam werd duidelijk welk verschil een paspoort, een geboorteplaats  kan maken. Vier zussen, vier zwagers, twee broers, twee nichtjes, een neefje, zijn eigen moeder, veertig familieleden in totaal, kwamen niet terug uit Auschwitz, Birkenau, Sobibor, Mauthausen. Thuis zat hij maar voor het raam en staarde naar buiten, waar was de zin van zijn leven?

Hoe lang duurde het, Blüthner, voor Kitty weer Chopin speelde of Debussy? Of speelde ze onmiddellijk weer, alles, zodra ze maar weer spelen mocht? Jij weet dat het niet uitmaakt, voor haar is het nooit voorbijgegaan.

 

Hoe overleef je het, overlevende te zijn? Het gezin was herenigd en in 1946 kregen Kitty en Theo een zoontje, Harry. Als de baby sliep en zij weer urenlang  studeerde, kwam hij hier naast je staan. Wat wil je Kitty? Ja, ze wilde een goede moeder zijn, natuurlijk, voor haar kinderen zorgen. Ja, ze kenden haar nog wel, maar hij had al naam gemaakt, hem vroegen ze, hij kon de top bereiken. Ja, dat kon. Maar, zij was onmisbaar, zij moest met hem studeren, zij was scherper dan hij, zij zou hem steeds verbeteren. Zo zou hij de top halen.

 

In 1951 kwam de gehoopte doorbraak: het gezin verhuisde naar Wenen waar Theo Baylé werd aangesteld bij de Staatsoper. Ondanks de oorlogsschade, ondanks barrières tussen vier bezettingsmachten was de opera van Wenen ook in die tijd de wereldtop. Het was slopend om daar bij te horen, drie optredens per week minstens, de druk om te presteren permanent. In de royale villa’s waar het gezin woonde, mocht uit angst voor tocht nooit een raampje open.

 

Het was jouw eerste grote verhuizing, Blüthner en je kreeg een centrale plaats in hun Weense huis. Kitty nam haar rol vergaand serieus, ze studeerde niet alleen thuis met Theo, ’s avonds nam ze de kinderen mee naar de opera om hem ook in de pauze van advies te dienen.  Niet bepaald rustgevend voor zijn zanger, vond de operadirecteur en ontzegde haar uiteindelijk de toegang tot het gebouw.
Natuurlijk bleef ze ook voor zichzelf studeren, maar ze deed er niets mee, kon er niets mee, trad niet een enkele keer op. Behalve in het aanmoedigen van haar kinderen - Harry speelde al viool - stak ze haar energie, genoeg, meer dan genoeg, in affaires waar Wenen de juiste decors wel voor bood.

 

Opera in Wenen is topsport. Na tien jaar liet Theo, bijna 50, zich lokken met een aanstelling bij de Nederlandse Opera in Amsterdam. Drie jaar later ging de Opera failliet en stond hij op straat, uitgeput. Voor de kinderen was Amsterdam een plek waar ze maar slecht konden aarden, voor Kitty kwamen de herinneringen dichtbij. Het werd een tijd van kleine contracten, pogingen ergens tussen te komen. Samen deden ze de Winterreise in de Kleine Zaal van het Concertgebouw. Theo kon het onvermoeibare studeren van Kitty niet bijbenen, het was niet voor herhaling vatbaar. Intussen zochten de kinderen hun eigen weg, ook daarop raakte Kitty haar greep kwijt.

 

Amsterdam 1967. Provo werd op ludieke wijze opgeheven, D’66 wandelde de Tweede Kamer binnen, Joke Kool-Smit schreef een prikkelend betoog: “het is niet verbazingwekkend dat vrouwen in ons cultuurpatroon weinig ambitie vertonen. Alles is erop gericht bij vrouwen de indruk te doen postvatten dat niet hun eigen initiatief bepalend is voor hun leven”.
Of Kitty dit las, er over sprak? Hoe dan ook, Kitty was 48 en werd in 1967 opnieuw professioneel pianiste. Ze verliet haar man niet, ze liet hem achter, zag hem soms.
Vier jaar later overleed hij.

 

Hoe vaak hebben verhuizers jou op je kant gelegd, je poten afgeschroefd, je dekens omgedaan?
Kitty vestigde zich in Frankfurt, Bremen, Heidelberg, opnieuw in Wenen, Bruchsal, Antwerpen, Wiesbaden, Kleve, Aken. Sorry als de volgorde niet klopt en ik er een paar mis.
Ze ging doelgericht naar Duitsland, een grote markt voor musici.
En het verleden? Dat spookt overal, maar in dat land met minder ruimte voor hypocrisie.
Ze meldde zich bij theaters, speelde voor, maakte direct indruk en kreeg contracten.
Ze was pianorepetitor, conservatoriumdocente en gaf recitals.
De grote podia waarvoor ze ooit bestemd leek, bereikte ze niet meer, maar ze bleef spelen, bleef indruk maken, had altijd bewonderaars.

 

Hoe vertel je over zo’n periode van ruim 40 jaar? Ze werd vijftig, ze gaf les, werkte in het theater, gaf concerten; ze werd zestig, gaf recitals, was docent, repetitor; ze werd zeventig, je weet het wel; ze werd tachtig en nog had ze leerlingen, trok ze publiek; ze stopte nog lang niet.  Ze was bijzonder en hoe ouder ze werd terwijl ze bleef spelen, hoe meer ze weer werd wat ze als kind was geweest: een wonder. Medici vergaapten zich aan haar, onderzochten hoe zij zo oud met een zo feilloos geheugen en zulke soepele gewrichten bleef spelen, muziektherapeuten voerden haar ten tonele als bewijs dat musiceren een medicijn tegen veroudering is. Van concertzaal naar collegezaal.

Eind november 2009, ze was ruim 90, gaf ze nog een concert, niet bedoeld als haar laatste. Kort daarna maakte ze een val en begonnen ziekenhuisopnamen haar levensritme te bepalen. Op 6 december 2010 overleed ze. Ze was 91, op.

 

Zeg eens Blüthner, was ze een leuk mens?
Waarom ik dat vraag? We willen van bijzondere mensen altijd graag weten of ze wel perfect zijn. Ze zorgde heel goed voor jou, duidelijk. Ze poetste de letters van je naam zo vaak, zo grondig, dat het hout door de lak heen komt. Ze wilde trots op je zijn.

Wij zijn trots dat je nu in Feerwerd staat.

 

2 juli 2011